In het kort

De eerste generaties christenen hadden geen Nieuwe Testament. Hun geloof in Jezus was voortgekomen uit de zending van verkondigers van het getuigenis over Jezus. Deze verkondigers, zoals Paulus, beriepen zich op drie ‘bronnen’: 1. op goddelijke openbaring, 2. op mondelinge traditie (van horen zeggen), en 3. op de Schriften (het Oude Testament, gelezen als een verzameling profetieën over Jezus). Veertig tot zestig jaar na de dood van Jezus werden verzamelingen van zijn woorden en overgeleverde verhalen over zijn daden op schrift gesteld. Vanaf de tweede eeuw kregen enkele van deze geschriften een ruime verspreiding. Men noemde deze boeken evangeliën. Behalve deze evangeliën werden vanaf een bepaald moment ook andere teksten belangrijk: teksten geschreven door christelijke verkondigers, profeten en leraren, vanaf de jaren 50 van de eerste eeuw. Deze teksten hadden aanvankelijk niet de status van ‘heilige geschriften’. Dat kregen ze pas vanaf de tweede eeuw.