Het belangrijke onderdeel van de vroegste geloofstraditie van de christenen was de belijdenis van Jezus’ dood en opstanding. Dat was de gemeenschappelijke boodschap van de eerste christenen. Dat blijkt duidelijk uit een passage uit Paulus’ brief 1 Korintiërs, 1 Korintiërs 15:3-11 (De Nieuwe Bijbelvertaling):
3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6 Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. 7 Vervolgens is hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. 8 Pas op het laatst is hij ook aan mij verschenen, aan het misbaksel dat ik was. 9 Want ik ben de minste van de apostelen, ik ben de naam apostel niet waard omdat ik Gods gemeente heb vervolgd. 10 Alleen dankzij zijn genade ben ik wat ik ben. En zijn genade is bij mij niet zonder uitwerking gebleven. Integendeel, ik heb harder gezwoegd dan alle andere apostelen, niet op eigen kracht maar dankzij Gods genade. 11 Hoe dan ook, of zij het nu zijn of ik, wij verkondigen allemaal dezelfde boodschap, en door die boodschap bent u tot geloof gekomen.
Paulus wijst erop dat de opgestane Jezus aan vele christenen verschenen is en tenslotte ook aan hemzelf. Maar Paulus beroept zich niet alleen op deze bijzondere ervaring. Hij beroept zich ook op de Schriften.