Ook al was er in het oude Israël nog geen geld, er werd wel degelijk gekocht en verkocht. Men betaalde met afgewogen hoeveelheden waardevol materiaal, zoals zilver of goud. Een beroemd voorbeeld van een koop in de Bijbel, is het verhaal van Genesis 23. Daarin wordt verteld hoe Abraham een stuk land aankoopt van de Hethiet Efron. Op dat stuk land bevindt zich een grot, die Abraham wil inrichten als familiegraf. Zo kan hij zijn vrouw Sara, die is overleden, begraven op zijn eigen grond. Op een prachtige manier wordt verteld hoe de koop tot stand komt. Uiteindelijk koopt Abraham de grond voor vierhonderd sjekel zilver. Een sjekel is ongeveer 11 gram. Abraham koopt het land dus voor een kleine 4,5 kilo zilver. Het zilver wordt afgewogen: echt geld was er nog niet.
Een ander voorbeeld van een koop is te lezen in 2 Samuel 24:18-25. Daar wordt beschreven hoe koning David een dorsvloer koopt van een zekere Arauna (op de plaats waar later de tempel van Jeruzalem gebouwd zal worden). David koopt de dorsvloer voor vijftig sjekel zilver, dat is ruim een halve kilo (zie ook Prijsverhoging»).