Vóór de Babylonische ballingschap hadden de Israëlieten geen gemunt geld. Men betaalde in natura of met stukken goud of zilver die werden afgewogen. De waarde werd door het gewicht bepaald. Munten werden voor het eerst geslagen door de koningen van Lydië (in Klein-Azië) in de zevende eeuw voor Christus. De Grieken namen deze techniek over en ook de koningen van Perzië begonnen hun eigen munten te slaan. Op die manier werd geld al snel een veelgebruikt betaalmiddel, vooral in de handel. In het Oude Testament worden twee soorten munten genoemd: de Perzische dariek en de Griekse drachme (zie verder: Kopen in het Oude Testament, Geld in het Oude Testament). In het Nieuwe Testament worden allerlei verschillende munten genoemd. De munt die het vaakst wordt genoemd is de denarie (zie verder: Geld in het Nieuwe Testament).
(Met dank aan ir. L. Cusell voor zijn informatie.)