Jahwistische bron (J): gebruik van de godsnaam JHWH (in moderne vertalingen veelal weergegeven met HEER), een eenvoudige verteltrant, mensvormige voorstelling van God, aandacht voor landbouw.
Elohistische bron (E): gebruik van de godsnaam Elohim (in moderne vertalingen weergegeven met God), een minder beeldende verteltrant, een meer verheven godsvoorstelling en een verfijnde ethiek.
Deuteronomistische bron (D): hoofdmotieven zijn de (jaloerse) liefde van God voor zijn volk, uitverkiezing van Israël en trouw aan de wet. Verder de eis om God op één plaats te vereren en zich af te zonderen van vreemde volken.
Priesterlijke bron (P): stereotype, monotone en omslachtige taal en stijl. Aandacht voor dateringen en geslachtslijsten. En een bijzondere aandacht voor de eredienst aan God.
Deze vier bronnen werden aanvankelijk als volgt gedateerd en gelokaliseerd: J in de tiende of negende eeuw v.Chr. in Juda; E in de achtste eeuw v.Chr. is Israël, D in de zevende eeuw v.Chr. in Juda en P in de vijfde eeuw v.Chr. in Juda. Maar over datering en lokalisering bestaat allang geen overeenstemming meer binnen het bijbelonderzoek. Bovendien is er ook kritiek op de vierbronnen-hypothese zelf.