Apocriefe boeken

Het woord apocrief komt van het Griekse woord apokrufos wat ‘verborgen’ betekent. Oorspronkelijk werden met de benaming ‘apocriefe boeken’ díe boeken aangeduid waarvan de inhoud alleen voor ingewijden bestemd was, in tegenstelling tot de (bijbelse) boeken die voor iedereen bedoeld waren. De apocriefe boeken zouden geheime kennis bevatten, niet bestemd voor de massa, alleen voor de wijzen. Van oorsprong was de aanduiding ‘apocriefe boeken’ een positieve aanduiding. Dat blijkt uit het verhaal van 4 Ezra 14». Later werd de term apocrief gebruikt om die boeken aan te duiden die niet tot de canon (zie de rubriek Canon) behoorden. Apocrief werd zo een tegenstelling van canoniek. De protestants-christelijke traditie volgt voor de canon van het Oude Testament de boeken van de Hebreeuwse Bijbel. Voor de boeken die alleen in de Septuaginta te vinden zijn, werd de term ‘apocrief’ gebruikt. Deze boeken, zoals Judit, 1 en 2 Makkabeeën en Sirach, kregen niet de canonieke status van gezaghebbende boeken, maar werden wel gekwalificeerd als ‘nuttig om te lezen’. Binnen de katholieke traditie gelden de meeste» van deze boeken als deuterocanonieke boeken.