Naast de Tora kende het antieke jodendom andere boeken die een bijzondere status en autoriteit genoten. Maar men achtte de andere boeken meestal toch van een iets mindere status dan de boeken van de Tora. Bovendien was het buiten de Tora vaak niet zo duidelijk welke boeken die bijzondere status nu wel en welke die niet hadden. De Tora functioneerde vanaf de derde eeuw v.Chr. als een afgebakende eenheid. In geschriften uit een iets latere tijd (de tweede eeuw v.Chr. tot de eerste eeuw n.Chr.) treffen we ook hier en daar sporen aan van een verdere indeling van de heilige boeken binnen het antieke jodendom. De belangrijkste aanwijzingen vinden we in het Woord vooraf van het boek Sirach», in het Qumran-fragment 4QMMT C» en in het boek Contra Apionem» van de joodse schrijver Flavius Josephus.
|
Een nieuwe visie: andere geschriften
|
Woord vooraf van het boek SirachDe Wijsheid van Jezus Sirach is van oorsprong een Hebreeuws geschrift uit circa 190 v.Chr. De kleinzoon van Jezus Sirach maakte een Griekse vertaling van dit boek, in 132 v.Chr. In het Woord vooraf bij zijn vertaling schrijft hij over het literaire erfgoed van Israël. Hij plaatst het boek van zijn grootvader dat hij heeft vertaald op een interessante manier tegenover de oude, eerbiedwaardige boeken van de joodse traditie: “Mijn grootvader Jezus, die de Wet, de Profeten en de andere geschriften van onze voorouders diepgaand had bestudeerd en daarin een grondig inzicht had verworven, voelde de drang om ook zelf iets te schrijven dat lering en wijsheid bevatte.” De kleinzoon van Jezus Sirach typeert de boeken van de voorouders als ‘de Wet, de Profeten en de andere geschriften’. Hij lijkt hier de bekende driedeling te hanteren die later kenmerkend zou worden voor de joodse Bijbel: de wet (Tora), de profeten (Neviiem) en de geschriften (Ketoeviem), samen de Tanach. Maar als we de passage precies lezen, klopt dat toch niet helemaal. De kleinzoon van Jezus Sirach noemt ‘de wet’, ‘de profeten’ en ‘de overige geschriften van onze voorouders’. Uit die formulering volgt dat de wet en de profeten zelf ook tot ‘de geschriften’ gerekend worden. Behalve de wet en de profeten zijn er nog meer geschriften: de overige geschriften. In de eerste zin van zijn Woord vooraf zegt hij het zo: ‘de Wet, de Profeten en de andere, latere geschriften’. Eigenlijk hanteert de kleinzoon van Jezus Sirach maar twee duidelijke categorieën: de Wet en de Profeten. Verder is er nog een aantal boeken, die ook belangrijk zijn. Van een afgebakende canon in drie afdelingen is nog geen sprake. Qumran-fragment 4QMMT CIn een tekst uit Qumran (4QMMT fragment C regel 10) komt ook een soort indeling van de oude geschriften. Daar treffen we de volgende omschrijving van de oude heilige boeken: ‘het boek van Mozes, de geschriften van de profeten en van David’. Het boek van Mozes staat voor de Tora, de geschriften van de profeten zouden min of meer overeen kunnen komen met wat in het latere jodendom onder de Neviiem werd verstaan. En ‘van David’ betekent: het boek Psalmen. Als men als volgt redeneert: het boek Psalmen staat model voor alle boeken uit categorie 3: de geschriften (Ketoeviem), dan is hier sprake van de driedeling: Tora, Neviiem, Ketoeviem. Maar dat is een grote stap. De driedeling Tora, Neviiem, Ketoeviem wordt niet gebruikt. Het is sterk de vraag of deze driedeling al bestond in de eeuwen voor het begin van de jaartelling. Contra ApionemEen duidelijke aanwijzing voor het ontstaan van een joodse canon vinden we bij de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus. Hij schreef rond 90 n.Chr. het boek Contra Apionem. In dit boek verdedigt hij de joodse tradities tegenover buitenstaanders die er de spot mee drijven. Josephus schrijft dat het literaire erfgoed van de Grieken bestaat uit allerlei boeken die onderling tegenstrijdig zijn. Het erfgoed van de joden daarentegen bestaat volgens Josephus uit slechts 22 boeken, die tezamen een coherent beeld van de geschiedenis en godsdienst van de joden geven. Bovendien geeft Josephus aan hoe die collectie van 22 boeken is samengesteld: 5 boeken van Mozes, 13 boeken van de profeten, en 4 overige geschriften. Hoewel de contouren van de latere driedeling van de canon – Tora, Neviiem (‘profeten’) en Ketoeviem (‘geschriften’) – hier zichtbaar worden, komen de aantallen die Josephus noemt voor de profeten (13) en de (overige) geschriften (4) niet overeen met de latere standaardindeling. |