In de 19e eeuw bedachten geleerden een nieuwe verklaring voor het ontstaan van de canon. In de nieuwe theorie stond de driedeling van de Tanach centraal. Het Oude Testament zou in een proces van drie fasen gecanoniseerd zijn, in de volgorde van de driedeling: eerst de Tora, dan de Neviiem (‘profeten’) en tenslotte de Ketoeviem (‘geschriften’). De vroegste fase betrof dus de canonisering van de Tora. Deze canonisering zou hebben plaatsgevonden in de vijfde eeuw v.Chr. Voor het jodendom na de ballingschap golden de vijf boeken van de Tora als heilige Schrift. In de canonisering van de Tora had, zo meende men, Ezra een rol gespeeld. Op die manier stond Ezra weliswaar niet meer aan de basis van de canon als geheel, zoals volgens de traditionele visie, maar wel aan de basis van de canonisering van de Tora. In een volgende fase, in de derde eeuw v.Chr., zouden de Neviiem (‘profeten’) gecanoniseerd zijn. Tenslotte zouden de Ketoeviem (‘geschriften’) gecanoniseerd zijn aan het eind van de eerste eeuw n.Chr. Bij de laatste fase speelt de zogenaamde synode van Jamnia» een grote rol. Rond 100 n.Chr. zou het joodse Sanhedrin op de synode van Jamnia het derde canondeel definitief hebben vastgesteld en zo de laatste hand hebben gelegd aan de canon van de joodse Bijbel.
|
De drie-fasen theorie
|
Synode van JamniaDe voorstelling van een synode te Jamnia (of Javne) waar een besluit over de canon zou zijn genomen, is bedacht door 19e-eeuwse geleerden. Zij gingen uit van het voorbeeld van de canonisatie van de Bijbel in de christelijke kerk. Die vond inderdaad plaats op verschillende kerkelijke concilies in de vierde en vijfde eeuw. Men concludeerde dat de Hebreeuwse canon wel op een soortgelijke vergadering zou zijn afgesloten. Het is juist dat Jamnia de plaats was waar het joodse Sanhedrin vergaderde in de periode van 70-135 n.Chr. (de periode tussen de verwoesting van de tempel in 70 n.Chr. en de opstand van Bar Kochba in 135 n.Chr.). Maar voor een vergadering over de samenstelling van de canon is geen enkele aanwijzing. Om te bewijzen dat het joodse Sanhedrin op een van de vergaderingen in Jamnia wel degelijk een besluit genomen had over de canon, wezen geleerden op een passage uit de Misjna. Het ging om een passage uit het traktaat Jadajim 3:5. De Misjna is een verzameling van traktaten die allerlei wetskwesties behandelen. De Misjna is samengesteld in circa 200 n.Chr. In de betreffende passage wordt de vraag aan de orde gesteld of de boeken Hooglied en Prediker een heilige status hebben zoals de andere bijbelse geschriften, of niet. De uitdrukking die wordt gebruikt om de heiligheid van de boeken aan te duiden is: boeken die de handen verontreinigen. Het gaat in dit traktaat om een juiste omgang met heilige boeken (beter gezegd: boekrollen). Uit de passage over Hooglied en Prediker blijkt dat de status van deze boeken omstreden was. Voor een discussie over de canon biedt deze tekst echter geen aanwijzing. |