Vanaf het eind van de achttiende eeuw werden ook nieuwe vertalingen uitgebracht, en in de negentiende eeuw ging het vertaalwerk op ruime schaal door. Opmerkelijke voorbeelden zijn de Leidse Vertaling» en de Utrechtse Vertaling».
|
Nieuwe vertalingen
|
Leidse VertalingEen bekend voorbeeld is de Leidse Vertaling, die uiteindelijk in haar geheel in 1912 uitgegeven is. Deze vertaling was verzorgd door moderne theologen en vond vooral in vrijzinnige kring ingang. En dat is ook de reden waarom er geen breed draagvlak voor deze vertaling was: zij hoorde te veel bij een bepaalde kerkelijke groep. Een opvallend kenmerk van deze vertaling is, dat zij in het Oude Testament in veel gevallen de (Griekse) Septuaginta volgt en niet de (Hebreeuwse) Masoretische tekst. Dat had te maken met hoe veel bijbelwetenschappers toentertijd dachten over de tekstgeschiedenis van het Oude Testament. Velen meenden dat de (Griekse) Septuaginta een vertaling bood van een Hebreeuwse tekst die ouder en beter was dan de ons bekende Hebreeuwse Masoretische tekst. Daarom maakte men voor de vertaling van het Oude Testament intensief gebruik van de Septuaginta om de Hebreeuwse Masoretische tekst te ‘corrigeren’. Utrechtse Vertaling
De Utrechtse Vertaling hoorde, net als de Leidse Vertaling, bij een bepaalde kerkelijke groep. Ook deze vertaling vond geen brede ingang in kerkelijk Nederland. De Utrechtse Vertaling werd gemaakt onder leiding van de Utrechtse hoogleraren Obbink en Brouwer. Zij behoorden tot de ethische richting in de Nederlandse Hervormde Kerk. Hun vertaling werd ook met name in die kring gebruikt. |