Een van de eersten die zich bezighield met het onderzoek naar de Griekse tekst van het Nieuwe Testament was Erasmus (1469?-1536). Op basis van verschillende manuscripten en vertalingen probeerde hij de Griekse tekst van het Nieuwe Testament vast te stellen. Hij was de eerste die een Grieks Nieuwe Testament in druk liet verschijnen. Zijn doel was een verbeterde versie van het Nieuwe Testament in het Latijn te maken. De nieuwe Griekse tekst die hij had samengesteld diende als basis voor een nieuwe versie van het Nieuwe Testament in het Latijn. Die zou, volgens Erasmus, een verbetering opleveren van de Vulgata.
Erasmus had slechts beschikking over een klein aantal Griekse manuscripten, die bovendien uit een relatief late tijd kwamen (voornamelijk uit de tiende en elfde eeuw n.Chr.). In de eeuwen die volgden kwamen er steeds meer handschriften van het Nieuwe Testament beschikbaar voor de onderzoekers. Met name in de negentiende eeuw werden talloze oude handschriften opgespoord.
Een zeer grote rol in de ontwikkeling van de tekstkritiek van het Nieuwe Testament speelde de Duitse geleerde Tischendorf (1815-1873). Hij vond in 1859 in het Catharinaklooster op de berg Sinai de zogenaamde Codex Sinaiticus. Dit bleek de tot dan toe oudste volledige tekst van de Bijbel in het Grieks, daterend uit de vierde eeuw n.Chr.
In de twintigste eeuw zijn er diverse grote en vele kleinere vondsten gedaan van fragmenten van het Griekse Nieuwe Testament op papyrus. De oudste papyri van het Nieuwe Testament dateren uit de tweede eeuw n.Chr. Inmiddels is er zo veel materiaal beschikbaar dat men kan stellen dat er van geen enkel boek uit de oudheid zoveel manuscripten beschikbaar zijn als van het Nieuwe Testament.
Zie verder: Tekstkritiek.