Het boek Klaagliederen bevat vijf klaagzangen. Ze geven een levendig beeld van de verschrikkingen die de val van Jeruzalem, dat in het boek vaak Sion wordt genoemd, met zich meebracht. Sommige verzen wekken de indruk dat ze door een ooggetuige geschreven zijn. De auteur geeft de rouw, ontgoocheling en verwarring na de verwoesting van Jeruzalem weer, maar stelt daarbij de ellende voor als een straf van God vanwege de eigen zonden en de zonden van de voorouders. De dichter wijst er niet alleen op dat God rechtvaardig is in wat hij deed, maar roept ook op tot inkeer en nieuw vertrouwen op Gods liefde. Er is ook ruimte voor hoop op een betere toekomst.
De eerste vier liederen hebben in het Hebreeuws de vorm van een acrostichon, een alfabetisch gedicht. Dat betekent dat de verzen beginnen met de opeenvolgende tweeëntwintig letters van het Hebreeuwse alfabet. Het eerste, tweede en vierde lied tellen elk tweeëntwintig verzen. Het derde lied heeft zesenzestig verzen, omdat steeds drie versregels beginnen met dezelfde letter uit het Hebreeuwse alfabet. Het vijfde lied is geen acrostichon, maar bevat wel tweeëntwintig verzen.
Het boek als geheel is onmiskenbaar poëtisch. Er komen diverse vormen van parallellisme, rijm en beeldspraak in voor, en ook refreinen ontbreken niet. Kenmerkend in de tekst is het enigszins slepende ritme van de rouwklacht als onderstreping van de vaak klagende, verwijtende toon van deze liederen. Opvallend zijn de stemwisselingen in het boek. Nu eens is een anonieme verteller aan het woord, dan weer klinkt de stem van het door onheil getroffen Sion of van de verslagen bevolking.