Job behoort tot de zogeheten wijsheidsliteratuur, net als de boeken Spreuken en Prediker. Deze literatuur is waarschijnlijk ontstaan in de kringen van professionele schrijvers die in dienst waren van paleizen en tempels. Het doel ervan is de lezer of toehoorder kennis en moreel besef bij te brengen. In het boek Job betreft dat vooral de vraag naar de zin van het lijden en naar de rol van God daarbij. De ervaringen van Job vormen het kader waarbinnen die vraag aan de orde komt. Hoewel Job een rechtschapen en deugdzaam man is, wordt hij getroffen door veel onheil en ellende. De vrienden van Job verklaren zijn lijden in het licht van traditionele theologische opvattingen: God beloont het goede handelen van de mens en bestraft het kwade, Job moet dus wel ernstig gezondigd hebben. Job betwist deze verklaring. Hij verdient zoveel ellende niet, want hij is een vroom man en heeft altijd onberispelijk geleefd. Hij kan niet begrijpen dat God juist hem zo treft. Daarom verlangt hij van God zelf duidelijkheid en dringt hij erop aan dat God zelf zijn onschuld vaststelt.
Het boek Job behoort tot de hoogtepunten van de wereldliteratuur. De poëzie is van hoog niveau, met een aaneenschakeling van beelden, reeksen retorische vragen en mooie klankeffecten. De stijl van de prozahoofdstukken is vrij eenvoudig.
In de tekst spelen steeds tegenstellingen: licht en duisternis, dood en leven, menselijke onmacht en goddelijke almacht, rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, schuld en onschuld, wijsheid en onwetendheid. In de proloog staat God tegenover Satan, bezit tegenover gezondheid, Job tegenover zijn vrouw. Ook in de vorm van de tekst, in vraag en antwoord, argumenten en tegenargumenten, komen de tegenstellingen terug.