De eerste verzameling van profetieën is te vinden in Jesaja 1-39. De politieke omstandigheden in de tweede helft van de achtste eeuw v.Chr. zijn een belangrijke factor in het profetisch optreden van Jesaja. De koninkrijken Juda en Israël worden bedreigd door Assyrië, en willen samenwerking zoeken met Egypte en anti-Assyrische coalities.
Belangrijke thema’s in de profetische uitspraken van Jesaja zijn: de Davidische dynastie, Jeruzalem als koningsstad en plaats van de tempel, de kritiek op cultische en sociale misstanden, en de ondergang van vijandige volken. Een opvallend motief is de ‘dag van de HEER’: de dag waarop God niet alleen straft, maar ook redding zal brengen.
In veel van zijn profetieën roept Jesaja op tot een andere levenswandel. Op verwijtende toon wordt verwerpelijk gedrag aan de kaak gesteld. Maar hij bemoedigt ook, met heilsaankondigingen waarvan sommige verband houden met de komst van een messiaanse figuur met de naam Immanuël, wat betekent: ‘God met ons’ (zie bijvoorbeeld 7:14).
De stijl van de poëzie in dit gedeelte is beeldend, krachtig en compact. Het taalgebruik is vaak tamelijk verheven, behalve daar waar de profeet zich onverbloemd en scherp over misstanden uit. Het proza in Jesaja 1-39 heeft een vrij neutrale stijl.