Het centrale thema van Ezechiël is de ondergang en het herstel van Israël en Juda. Israël was al eerder veroverd, door de Assyriërs in 722 v.Chr. In het boek wordt een verklaring gegeven voor verwoesting en ballingschap: ze worden voorgesteld als een straf van God voor de zonden van het volk, met name voor de verering van andere goden. Tegelijk gaat het boek ook over de belofte van terugkeer naar Jeruzalem en herstel van Juda en Israël.
Ezechiël is een profetisch geschrift met een grote verscheidenheid aan literaire vormen. Het boek bevat vooral profetieën en visioenen, die ingebed zijn in een verhalend kader in de ik-vorm. De visioenen nemen een belangrijke plaats in het boek in. De profeet maakt zijn boodschap vaak duidelijk door middel van symbolische handelingen, een soort aanschouwelijk onderwijs (bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 en 5). Typerend voor Ezechiël is het grote aantal vergelijkingen. Bekend zijn de uitgewerkte allegorieën van Ezechiël 16 waarin God als minnaar van het gepersonifieerde Jeruzalem optreedt en Jeruzalem als zijn ontrouwe nymfomane minnares, en van Ezechiël 23 waarin de ontrouw van het volk verbeeld wordt in de ontrouw van de vrouwen Ohola en Oholiba. Ohola verwijst in deze vergelijking naar Samaria en zo naar Israël, Oholiba naar Jeruzalem en dus naar Juda. De klaagliederen, zoals in 19:1-14 en 27:1-28:19, worden als de poëtische hoogtepunten van het boek beschouwd. De stijl van het visioen van de nieuwe tempel in 40-48 is zakelijk en technisch.