Het boek Exodus presenteert het verhaal over de Israëlieten in Egypte en in de woestijn als de geschiedenis van de groei van Israël tot het volk waarmee God een verbond sluit. Het boek heeft een didactische ondertoon. De lezers worden ervan doordrongen dat God zich direct betrokken voelt bij het wel en wee van Israël, dat de wetten, leefregels en cultische gebruiken door God zelf zijn ingesteld en dat ze onlosmakelijk verbonden zijn met de bevrijding uit slavernij. Doordat de regelgevende passages grotendeels in de directe rede zijn gesteld, lijkt het of de lezers direct worden aangesproken in de woorden die God in het verleden tot de voorouders richtte.
De verhalende tekst heeft door de vele herhalingen soms een bijna bezwerend karakter. De stijl van wetten en leefregels is zakelijk en exact; dat geldt ook voor de geslachtsregisters en de instructies voor de priesterwijding en de bouw van de tabernakel, die in de opsomming van details soms eentonig worden. In de wetten en leefregels bevat Exodus veel parallellen met andere boeken in de Pentateuch, in het bijzonder met Deuteronomium.