In het boek Deuteronomium wordt de lijn van de geschiedenis van Israël die in Genesis is ingezet, doorgetrokken. De belofte aan Abraham dat God zijn nakomelingen het land Kanaän zal geven en dat zij dat grondgebied voor altijd zullen bezitten, lijkt spoedig in vervulling te gaan. Aan het slot van het boek blijkt dat Israël op het punt staat het land binnen te trekken.
In de thematiek van Deuteronomium staat de relatie tussen God en Israël centraal. God heeft Israël exclusief gekozen tot zijn volk, en hij heeft ook één plaats aangewezen waar hij wil worden vereerd. In 6:4 staat een van de meest centrale teksten van het boek en de belangrijkste Joodse geloofsbelijdenis: ‘Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige!’ De Israëlieten moeten zich afzijdig houden van de andere volken in Kanaän en alleen God dienen. Als ze dat doen, zullen ze in voorspoed leven. Weigeren ze, dan zullen ze door onheil worden getroffen en uit het gegeven land worden verdreven.
Het boek Deuteronomium bestaat voor het grootste deel uit monologen waarin Mozes de Israëlieten vermanend toespreekt. Daarin spelen wetten een belangrijke rol. De laatste hoofdstukken van het boek bevatten een verhalende tekst, waarin twee poëtische gedeelten zijn ingebed. Kenmerkend voor de stijl van het boek is de zorgvuldige zinsbouw en de herhaling van allerlei typische uitdrukkingen en zinsneden. Het lied en de zegen van Mozes in hoofdstuk 32 en 33 zijn mooie voorbeelden van Hebreeuwse poëzie.