In de hoofdstukken 1-3 zet Paulus uiteen dat iedereen tegenover God zondigt, en dat de Joodse wet de Joden bij het oordeel geen voorrang biedt boven de niet-Joden. Alleen het geloof kan van de veroordeling redden. Paulus toont dat in hoofdstuk 4 aan door op Abraham te wijzen. Nadere uitwerking volgt in de hoofdstukken 5-8. Alleen het geloof in Christus biedt de zekerheid van een eeuwig leven bij God. Dat betekent niet dat de gelovige kan blijven zondigen: de vernieuwing die met de doop geschonken wordt, brengt ook een nieuw, rechtvaardig leven met zich mee. Wat rechtvaardigheid is, en wat zonde, kan uit de Joodse wet geleerd worden. Maar het is de heilige Geest die de gelovige uiteindelijk tot zijn bestemming bij God leidt.
In hoofdstuk 9-11 spreekt Paulus over Gods verhouding tot het Joodse volk en tot de christenen van Joodse en niet-Joodse afkomst. In dit gedeelte worden in het bijzonder de niet-Joden aangesproken: zij dienen te beseffen dat de oorsprong van hun geloof in het jodendom ligt, en mogen zich in geen geval verheven voelen boven hun geloofsgenoten van Joodse afkomst.
De hoofdstukken 12-15 bevatten aanwijzingen voor het nieuwe leven dat door het geloof in Christus gestalte moet krijgen. In 12 en 13 legt Paulus uit hoe de mensen in de gemeente zich tegenover elkaar en tegenover de overheid moeten gedragen. In 14 en 15 roept Paulus de gelovigen op om elkaar niet als Joden en niet-Joden te veroordelen, maar om elkaar te aanvaarden en te dienen. In hoofdstuk 16 wordt de brief afgesloten met een lange lijst met namen van personen aan wie Paulus zijn groeten laat overbrengen.