Op het eerste gezicht is het boek een historische vertelling. Het bevat echter zo veel anachronismen en historische onjuistheden dat aangenomen moet worden dat de schrijver deze met opzet heeft aangebracht. Nebukadnessar wordt bijvoorbeeld beschreven als koning van de Assyriërs die in Nineve regeerde, terwijl hij bekendstond als koning van Babylonië die in de stad Babel zetelde. Ook wordt van hem gezegd dat hij de Joden belaagt nadat zij uit de ballingschap zijn teruggekeerd, terwijl van hem bekend was dat hij zelf de Joden in ballingschap gevoerd heeft. Vermoedelijk heeft de auteur met dergelijke in het oog springende ongerijmdheden de lezer duidelijk willen maken dat het hier niet om echte geschiedenis gaat, maar om een voorbeeldverhaal.
Nebukadnessar en Nineve staan voor het kwaad dat de Joden bedreigt. Judit staat voor het vertrouwen op God; de naam Judit hangt samen met het woord ‘Judeeër’, ‘Jood’. Zij wordt dan ook getypeerd als de exemplarische Jodin. In het boek zijn de centrale vragen: wie is de ware god en wie bepaalt de geschiedenis? De auteur gebruikt opzettelijk allerlei theologische termen om koning Nebukadnessar te beschrijven. In 6:2 zegt Holofernes onverbloemd: ‘Alleen Nebukadnessar is god’. Maar in de persoon van Judit geeft de schrijver de ware antwoorden op de vragen: de God van Israël bepaalt de geschiedenis. Hij laat zich niet manipuleren, maar verwezenlijkt zijn wil door de actieve rol van vrome mensen. Met het boek wil de schrijver de lezer oproepen Judits voorbeeld te volgen: wees vroom en verdedig je volk en de tempel.
Volgens sommige uitleggers zijn er mogelijk verbanden te leggen met de recente geschiedenis uit de tijd van de schrijver. In de tweede eeuw v.Chr. voerden de Joden strijd met de Seleucidische koning Antiochus IV Epifanes en zijn generaal Nikanor. In het boek 2 Makkabeeën lezen we hoe Judas Makkabeüs de overwinning behaalt en Nikanor doodt.