Geef ruimte aan de vreemdheid van de Bijbel
Hoe veel je ook in de Bijbel leest en hoe vertrouwd je ook met de inhoud ervan bent, het blijft een verzameling boeken uit een ver verleden, afkomstig uit een wereld die compleet anders was dan de onze. De auteurs van de bijbelboeken schreven voor een publiek in hun eigen tijd, niet voor lezers in de eenentwintigste eeuw. Wie de kloof tussen de Bijbel als oude literatuur en ons als lezers in de moderne tijd negeert, loopt het risico de teksten verkeerd uit te leggen. Wie zich niet grondig in de tekst verdiept en losse teksten citeert, kan zich gemakkelijk vergissen in de bedoeling van de tekst. Het is daarom belangrijk om je af te vragen wat een bijbeltekst voor de oorspronkelijke lezers en hoorders in hun situatie kan hebben betekend. Daarna kan de vraag worden gesteld hoe de tekst in onze tijd opnieuw of nog steeds van betekenis kan zijn. Wie vandaag de Bijbel leest, schuift aan bij een eeuwenoud publiek. Dat vraagt om een bescheiden opstelling. Voor voorbeelden zie Vrouwe Wijsheid» en Een luxe kamer».
Job 28 bevat een lofzang op de wijsheid. In Job 28:1-11 wordt hoog opgegeven van alles waartoe de mens in staat is. Maar in het tweede deel, Job 28:12-22, is te lezen dat de wijsheid voor de mens verborgen is. De wijsheid is het hoogste wat er is – maar zij onttrekt zich aan het zicht van de mensen. Zelfs de oervloed (zie Job 28:14) en het dodenrijk (zie 28:22) kennen haar niet. Dat wil iets zeggen, want oervloed en dodenrijk waren in de antieke beleving formidabele (hoewel duistere) machten. De enige die de wijsheid ooit in levende lijve aanschouwt heeft, is God (Job 28:23-27). De ontmoeting tussen God en ‘de wijsheid’ vormt het hoogtepunt van de lofzang (Job 28:27). Toen God aan wind, regen, zee en onweer hun plaats had toegewezen, toen zag hij plotseling een heel bijzonder iemand: Wijsheid. God zag haar en was meteen wég van haar. Hij doorzag haar waarde en bepaalde haar plaats: een ereplaats. Dit is, in poëtische termen, de ontmoeting tussen God en Wijsheid.
Een soortgelijke beschrijving vinden we in Spreuken 8, waar Wijsheid zegt, over God: ‘Ik was zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid’ (Spreuken 8:30).
Over wie of wat gaat het in deze teksten? Over de wijsheid, ‘Wijsheid’, ‘vrouwe Wijsheid’ of de godin Wijsheid? Wat hield het begrip wijsheid toentertijd in? Om zulke teksten op waarde te kunnen schatten moet men zich verdiepen in de antieke belevingswereld. Anders gezegd: niet alles in de Bijbel is meteen begrijpelijk.
In 2 Koningen 4 besluiten de mensen bij wie de profeet Elisa vaak logeert om op het dak van hun huis een kamer te bouwen. Ze meubileren de nieuwe kamer met een bed, een tafel, een stoel en een lamp (zie 2 Koningen 4:10). De kamer is bedoeld voor de profeet Elisa; daar kan hij zijn intrek nemen telkens wanneer hij daar verblijft. Op het eerste gezicht lijkt het een sober ingerichte kamer: een bed, een tafel, een stoel en een lamp. Een basale inrichting, geen luxe. Maar schijn bedriegt. De meeste mensen uit die tijd leefden in kleine en eenvoudige huizen. Ze deelden hun woonruimte met elkaar en met hun dieren. Privacy was een begrip dat niet bestond in die tijd. Een gemeubileerde kamer speciaal voor de profeet, was een ongekende luxe. Dit was absoluut geen standaard kamer. Het gaat hier over welgestelde mensen, die het beste wat ze zich kunnen veroorloven aan de profeet Elisa aanbieden. Waarom? Omdat ze beseffen dat Elisa een heilige man is, die op een bijzondere manier met God in contact staat. Zo iemand kun je niet tussen de dieren laten slapen.