Bijbellezen in praktijk
Veel mensen die regelmatig in de Bijbel lezen, zijn gewend om telkens korte stukjes te lezen. Deze korte stukken worden perikopen genoemd. De moderne bijbelvertalingen helpen de lezer hierbij, omdat zij de tekst van de bijbelboeken hebben onderverdeeld in kleine eenheden die elk een eigen kopje hebben. We kunnen deze kopjes aanduiden als perikoopopschriften. De bijbellezer heeft houvast in de tekst door diverse hulpmiddelen: hoofdstukindeling», versindeling», en perikoopopschriften». Deze manier van bijbellezen heeft echter één duidelijk nadeel: het leidt tot een versnippering van de tekst. Immers, de Bijbel bestaat uit een grote hoeveelheid boeken. Boeken die bedoeld zijn als samenhangende gehelen en die bij voorkeur ook als geheel gelezen zouden moeten worden. Die samenhang gaat verloren wanneer men telkens maar een klein stukje leest. Daarom is het goed om soms ook grotere gehelen – of zelfs boeken in hun geheel – te lezen. In de literaire editie van De Nieuwe Bijbelvertaling is duidelijk te zien dat de bijbelse geschriften boeken zijn en geen verzamelingen van losse perikopen. In deze uitgave staan géén versnummers en geen perikoopopschriften, alleen hoofdstuknummers. Zo lees je de Bijbel echt als een verzameling boeken.
Oorspronkelijk had de tekst van de Bijbel geen indeling. In de vroegste fase hadden de handschriften geen indeling in hoofdstukken, geen titels, geen leestekens en geen onderscheid tussen hoofdletters of kleine letters. Soms werden zelfs de woorden niet van elkaar gescheiden door spaties. Gedurende de vele eeuwen van tekstoverlevering zijn er allerlei methoden ontwikkeld om de tekst van de bijbelboeken in kleinere eenheden in te delen. Tegenwoordig zijn alle bijbelboeken onderverdeeld in hoofdstukken (behalve de zeer korte boeken, zoals Obadja en de brief aan Filemon die uit slechts één hoofdstuk bestaan). Deze hoofdstukindeling van de bijbeltekst gaat terug op het werk van de Engelse bisschop Stephen Langton uit de dertiende eeuw. Tussen 1203 en 1207 verdeelde Langton de tekst van de Vulgata in hoofdstukken van ongeveer gelijke lengte. Deze hoofdstukindeling werd erg populair en kreeg veel navolging, zowel in uitgaven van de Latijnse Bijbel (de Vulgata) als later in bijbels in andere talen.
In moderne uitgaven is de tekst van de Bijbel nauwkeurig onderverdeeld in verzen. Heel globaal gesproken bevat een bijbelvers één zin of zelfstandig zinsdeel.
In de Masoretische tekst, de tekst van de Hebreeuwse Bijbel die gedurende vele eeuwen is overgeleverd, werden vanaf een zeker moment leestekens ingevoegd die het einde van een vers markeren. Rond de tiende eeuw vormden deze leestekens een vast onderdeel van de Hebreeuwse tekst. Op deze manier was de tekst ingedeeld in verzen, hoewel de verzen doorgaans nog niet genummerd werden. Dit systeem bereikte een definitieve vorm in een uitgave van rabbi Isaäk Nathan ben Kalonymus, samengesteld in 1447, gedrukt in 1524.
Onze versnummering gaat terug op het ontwerp van de Franse drukker en uitgever Robert Estienne. In 1551 publiceerde hij een Grieks en Latijns Nieuwe Testament waarin hij zelf de tekst had ingedeeld in verzen. In 1555 gaf hij een Vulgata uit, waarin hij voor het Oude Testament de versindeling van rabbi Isaäk Nathan ben Kalonymus volgde en voor het Nieuwe Testament zijn eigen versindeling. De versindeling werd overgenomen in bijbeluitgaven in diverse talen en vond op die manier een brede ingang.
Behalve hoofdstuknummers en versnummers bieden de moderne bijbelvertalingen nog een handreiking aan de lezer: de perikoopopschriften. De indeling in perikopen – min of meer zelfstandige eenheden binnen een tekst – en de opschriften van de perikopen zijn het werk van de bijbelvertalers zelf. Het is daarom niet verwonderlijk dat er op dit niveau grote verschillen bestaan tussen de diverse bijbelvertalingen. Als voorbeeld noemen we 1 Samuel 19. Diverse vertalingen presenteren het hoofdstuk als één perikoop: De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), de NBG-vertaling 1951 en de Groot Nieuws Bijbel (GNB). Maar de opschriften verschillen sterk: ‘Davids vlucht’ (de NBV), ‘David vlucht voor Sauls aanslagen’ (NBG 1951), en ‘Sauls dochter neemt het op voor David’ (GNB). Andere vertalingen, de Statenvertaling (SV) en de Willibrordvertaling (WV), knippen het hoofdstuk in tweeën, maar niet op precies dezelfde manier. De SV maakt onderscheid tussen 1 Samuel 19:1-11 en 19:12-19- en heeft als opschriften: ‘Saul wil David doden’ en ‘Davids vlucht’. De WV maakt onderscheid tussen 1 Samuel 19:1-7 en 19:8-24 en heeft als opschriften: ‘Jonathan bemiddelt’ en ‘David op de vlucht’. Er bestaan dus aanzienlijke verschillen in perikoopindeling en opschriften.