Wetten
Binnen de Tora, de eerste vijf boeken van de Bijbel, nemen wetten en voorschriften een belangrijke plaats in. De wetten en voorschriften zijn vooral te vinden in de volgende clusters: Exodus 20-23 en 34, Leviticus, Numeri 1-10 en Deuteronomium 12-26. Wat betreft de vorm waarin de wetten en voorschriften zijn geformuleerd, wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen casuïstische rechtsregels» en apodictische wetsregels». Casuïstische bepalingen betreffen dikwijls het onderlinge sociale verkeer, terwijl apodictische wetsregels meestal het zedelijke en godsdienstige leven betreffen. Dit is echter geen waterdicht onderscheid.
Casuïstisch geformuleerde wetten stellen een algemene situatie voor, ingeleid door het woordje ‘wanneer’ (Hebreeuws: ). Daaronder gerangschikt worden dan verschillende specifieke gevallen, met behulp van het woordje ‘indien’ (Hebreeuws: ’îm). Daarna volgt dan de rechtsbepaling of strafbepaling. Op die manier begint bijvoorbeeld het boek Leviticus. In Leviticus 1:2 lezen we:
‘Wanneer () iemand van jullie de HEER een offer uit de veestapel wil aanbieden, kan dat een rund of een schaap of geit zijn.’
Dan volgen de bijzondere gevallen:
  • ‘Indien (’îm) hij een rund als brandoffer wil aanbieden, dan ….’, zie Leviticus 1:3-9.
  • ‘Indien (’îm) hij een schaap of geit als brandoffer wil aanbieden, dan …’, zie Leviticus 1:10-13.
  • ‘Indien (’îm) hij vogels als brandoffer wil aanbieden, dan …’, zie Leviticus 1:14-17.
In vertalingen is dit specifieke casuïstische woordgebruik niet altijd duidelijk zichtbaar.
In apodictisch geformuleerde wetsbepalingen worden bepaalde zaken simpelweg verboden. Een rechtstreeks verbod kan in het Oude Testament op drie manieren verwoord worden:
  • (1) ‘U zult niet x doen’.
  • (2) ‘Wie x doet zal zeker ter dood gebracht worden’
  • (3) ‘Vervloekt is degene die x doet’
Eveneens kan een rechtstreeks gebod op drie verschillende manieren worden verwoord. Een mooi voorbeeld is het gebod om je vader en moeder te eren: