Het zuidelijke rijk Juda
In het zuidelijke rijk Juda schieten veel koningen tekort in de ogen van God. Alleen Hizkia en Josia doen het helemaal goed. Hizkia zuivert de godsdienst van Juda. Ook zijn rijk wordt door de Assyriërs aangevallen, maar zij breken het beleg voor Jeruzalem plotseling op (zie 2 Koningen 19). Ook koning Josia zet zich in voor de juiste manier van de verering van God: in Jeruzalem. In zijn tijd wordt het wetboek gevonden dat de verering van de God van Israël slechts op één plaats toestaat, de tempel van Jeruzalem. Maar andere koningen doen het een stuk slechter. Josia’s voorganger Manasse was zelfs zo zondig dat God tijdens zijn regering al besloot een einde te maken aan Juda, zoals hij eerder een einde had gemaakt aan het koninkrijk Israël. De hervormingen van Josia werken als uitstel maar niet als afstel. Niet lang na Josia komt Juda onder de heerschappij van de Babyloniërs. Een poging om het Babylonische juk af te schudden, mislukt. De Babyloniërs veroveren Jeruzalem. De stad en de tempel worden verwoest en de bovenlaag van de bevolking wordt naar Babylonië gevoerd. Het rijk Juda gaat ten onder.