David en Salomo en hun opvolgers
Sauls opvolger David is een man naar Gods hart. Over hem wordt verteld in 1 Samuel 16 tot 1 Koningen 2. David is bepaald niet zonder fouten. Maar hij is wel de koning die door God gekozen is; God zorgt dat zijn koningschap slaagt. Daarom wordt David door latere generaties als de belangrijkste koning van Israël gezien. David verenigt de twaalf stammen van Israël tot een koninkrijk. Hij maakt Jeruzalem tot hoofdstad van Israël. Zijn zoon Salomo bouwt in Jeruzalem een tempel voor God en een paleis voor zichzelf. Dit is te lezen in het boek 1 Koningen. Salomo staat bekend om zijn wijsheid. Onder zijn heerschappij nemen Israëls rijkdom en invloed toe. Op de bloeitijd volgt echter al snel een periode van verval.
Na de dood van Salomo splitsen de noordelijke stammen zich af en vormen een eigen staat onder koning Jerobeam (1 Koningen 12:1-20). Terwijl in Juda, het zuidelijke rijk, de nakomelingen van David aan de macht blijven, kenmerkt de geschiedenis van Israël zich door bloedige revoluties en machtswisselingen. De boeken 1 en 2 Koningen vertellen een dubbelverhaal: per generatie wordt de geschiedenis van de koningen van Juda én Israël verteld. Terwijl in Jeruzalem de dynastie van David op de troon blijft, wisselen in het noordelijke Israël de verschillende koningshuizen zich in snel tempo af.