Uittocht en intocht
Het boek Exodus vervolgt het verhaal van de familie van Jozef in Egypte, inmiddels uitgegroeid tot het volk Israël. De farao van Egypte dwingt hen om als slaven te werken en steden voor hem te bouwen. Door ingrijpen van hun God met de naam JHWH (‘HIJ ZAL ER ZIJN’, Exodus 3:14) wordt het volk Israël uit Egypte bevrijd. Mozes treedt op als leider van het volk en voert het volk weg uit Egypte. God heeft Mozes beloofd om het volk Israël naar het land Kanaän te brengen, het beloofde land. Maar de weg daarheen voert door de woestijn.
Het verblijf van Israël in de woestijn tussen Egypte en Kanaän wordt beschreven in de boeken Exodus en Numeri. Deze periode vormt het decor voor talrijke wetten en voorschriften die God aan zijn volk geeft. Deze staan opgetekend in de boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Allereerst openbaart God zich aan zijn volk op de berg Sinaï. Daar sluit hij een verbond met Israël. God geeft een aantal wetten en aanwijzingen aan zijn volk, waaraan het zich moet houden. De kern van deze wet bestaat uit de ‘Tien geboden’ of de ‘Tien Woorden’ (Exodus 20:1-17). Ondanks het verbond dat God met zijn volk gesloten heeft, komt het volk telkens weer in opstand tegen God en zijn knecht Mozes. Als straf hiervoor verlengt God hun verblijf in de woestijn met veertig jaar.
Pas na de dood van Mozes, beschreven in het slot van Deuteronomium, vindt het volk een thuis in het beloofde land. Het boek Jozua vertelt hoe Mozes’ opvolger Jozua het door God beloofde land Kanaän in bezit neemt. De intocht in Kanaän begint met de val van de stad Jericho. Dit gebeurt op een bijzondere manier (zie Jozua 6). Daarna wordt het hele land veroverd. Het land Kanaän wordt in bezit genomen en verdeeld over de stammen van Israël.