Van schepping tot volk
In de eerste hoofdstukken van het boek Genesis wordt verteld, hoe God hemel en aarde en alle levende wezens schiep. Gods schepping is goed, maar het gaat mis door de ongehoorzaamheid en zelfzucht van mensen. Toch blijft God zijn schepping trouw. Nadat God de mensheid heeft gestraft met een enorme watervloed (de zondvloed), belooft God dat hij de aarde nooit meer op die manier zal straffen. De eerste elf hoofdstukken van Genesis beschrijven de oergeschiedenis van de mensheid: vanaf de schepping tot aan de verspreiding van de verschillende volkeren over de aarde.
Het tweede deel van Genesis vertelt over de stamvaders van Israël. Vanuit de talrijke volken op aarde (Genesis 10-11) richt het verhaal de schijnwerper op Abraham en Sara. God maakt Abraham de vader van een volk dat alleen hem zal vereren en naar zijn wil zal leven. Abraham, zijn zoon Isaak en diens zoon Jakob zijn de stamvaders van Israël. De belofte van ‘volk’ en ‘land’ speelt in Genesis een belangrijke rol. Genesis eindigt met de vestiging van Jakob en zijn familie in Egypte, waar Jozef, een van Jakobs zonen, onderkoning geworden is. Het boek Exodus vertelt hoe de familie in Egypte al snel uitgroeit tot een volk: Israël. Israël is de naam die God aan Jakob heeft gegeven (Genesis 32:23-33) en ook de naam van het volk dat uit zijn nakomelingen ontstaat. De twaalf stammen van Israël zijn min of meer genoemd naar de twaalf zonen van Jakob.