Op weg naar het einde
Het laatste boek van de Bijbel, de Openbaring van Johannes, ontstond aan het einde van de eerste eeuw of in het begin van de tweede eeuw n.Chr. in een tijd van christenvervolging. Christenen weigerden deel te nemen aan de Romeinse keizercultus. Dat bracht hen in een moeilijke positie. De manier waarop de auteur Johannes zich uitdrukt, is voor lezers van nu moeilijk te begrijpen. Openbaring spreekt in een soort geheimtaal. Veel beelden en symbolen in het boek grijpen terug op de profeten van het Oude Testament, vooral Daniël. Daarom wordt Openbaring ook wel aangeduid als het profetische boek van het Nieuwe Testament.
In Openbaring 2 en 3 vermaant, troost en onderwijst Johannes zeven gemeenten in Klein-Azië. Het grootste deel van het boek beschrijft hoe God Johannes de gebeurtenissen aan het einde van de wereld laat zien. In drie reeksen visioenen over zeven zegels, zeven bazuinen en zeven schalen worden de rampen geschilderd die de wereld zullen treffen. Deze visioenen laten aan de vervolgde christenen zien dat de machten van deze wereld voorbijgaan. Johannes spreekt zijn lezers moed in. Aan het einde van de verdrukking zal Christus zijn heerschappij oprichten. Dat geeft de vervolgden troost en hoop.