Verdrukking en bemoediging
Voor de verdere geschiedenis van de christelijke kerk is haar verhouding tot de Romeinse staat van doorslaggevend belang. Omdat de christenen weigeren om de keizer als god te vereren en de Romeinse staatsgoden aan te roepen, trekken ze al spoedig de aandacht van de Romeinse autoriteiten. Onder keizer Nero (54-68 n.Chr.), die de christenen de schuld geeft van de grote brand van Rome in 64 n.Chr., breken christenvervolgingen uit. Toch breidt het geloof in Christus zich steeds verder uit.
Na de brieven van Paulus volgt de brief aan de Hebreeërs. De onbekende schrijver hiervan legt de betekenis van Jezus en zijn dood uit met behulp van beelden uit het Oude Testament.
De overige zeven brieven uit het Nieuwe Testament – de brief van Jakobus, twee brieven van Petrus, drie brieven van Johannes en de brief van Judas – worden niet naar de geadresseerden genoemd, maar naar de afzender. De reden daarvoor is, dat deze brieven gericht zijn aan een grotere lezerskring of zelfs aan de kerk als geheel. Deze brieven worden dan ook aangeduid als ‘katholieke’ brieven (Grieks katholikos = ‘algemeen’). Op verschillende manieren willen deze brieven bijdragen aan de ondersteuning van de groeiende christelijke kerk.