Paulus
Een belangrijke stap in de geschiedenis van de eerste christenen is de verkondiging van het evangelie onder de niet-joodse volken in het Middellandse-Zeegebied. Zij geloven niet in de ene God van Israël, maar vereren andere goden. De verbreiding van de boodschap van Jezus Christus onder deze volken in het Romeinse rijk wordt vooral door de apostel Paulus uitgevoerd. Paulus is een ontwikkelde joodse schriftgeleerde en in eerste instantie een tegenstander van de volgelingen van Jezus. Maar hij bekeert zich en wordt ‘de apostel van de heidenen’: hij verspreidt het evangelie van Jezus en sticht christelijke gemeenschappen in tal van steden in Klein-Azië en Griekenland.
Het Nieuwe Testament bevat 21 brieven, die op naam staan van de apostelen en die aan verschillende christelijke gemeenten zijn gericht. De grootste groep bestaat uit brieven van Paulus. Deze zijn in de Bijbel op lengte gerangschikt. Allereerst zijn er Paulus’ brieven aan de Romeinen, de Korintiërs en de Galaten. Deze brieven bevatten de belangrijkste thema’s van de theologie van Paulus en worden daarom wel als zijn ‘hoofdbrieven’ aangeduid. Een aantal brieven die in de gevangenis zijn geschreven worden wel de ‘gevangenisbrieven’ genoemd: Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen, Filemon. Drie brieven zijn gericht aan mensen met wie Paulus nauw heeft samengewerkt: twee brieven aan Timoteüs, één aan Titus. Het belangrijkste thema in de brieven van Paulus is: de betekenis van de dood en opstanding van Jezus.