Jezus’ dood en opstanding
Jezus legt de wetten en geboden van de heilige Schrift uit, zonder zich om menselijke autoriteiten te bekommeren. Hij zegt bovendien dat met hem het koninkrijk van God is aangebroken. Daarmee jaagt hij de joodse religieuze leiders tegen zich in het harnas. Deze strijd loopt ten slotte uit op het besluit om Jezus te doden. De gelegenheid doet zich voor wanneer Jezus voor het paasfeest naar Jeruzalem komt. Nadat Jezus bij zijn intocht in de stad als een koning is binnengehaald, laat de hoogste joodse autoriteit hem met hulp van een van zijn leerlingen gevangennemen. Jezus wordt uitgeleverd aan de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus. Pilatus veroordeelt hem tot de gruwelijke en vernederende dood aan het kruis. Jezus’ volgelingen zorgen ervoor, dat hij wordt begraven.
Drie dagen later vinden enkele vrouwen, die samen met Jezus uit Galilea naar Jeruzalem gekomen zijn, zijn graf leeg. Op dit punt stopt het evangelie volgens Marcus in de oorspronkelijke versie. Andere evangeliën vertellen dat verschillende leerlingen de opgestane Jezus gezien hebben. Twee van Jezus’ leerlingen ontmoeten hem op de weg naar Emmaüs (Lucas 24:13-35). Andere mensen uit zijn vriendenkring zien Jezus meerdere malen in de loop van de veertig dagen daarna. Daaruit blijkt volgens de evangelisten dat God Jezus uit de dood heeft opgewekt. Hij leeft bij God en heeft de volmacht om de mensen heil en leven te brengen (Matteüs 28:16-18).