Jezus’ leven
Volgens de evangeliën Mattheüs en Lucas wordt Jezus in Betlehem geboren en groeit hij op in Nazaret, een dorp in het noorden van het land, nabij het Meer van Galilea. Over zijn jeugd vertellen de evangeliën weinig. Jezus’ optreden begint met zijn doop door Johannes in de Jordaan. De evangeliën berichten, dat bij deze doop de Geest van God op hem daalt en hem voor zijn taak gereedmaakt. Jezus begint dan door het land te trekken, waarbij hij onderricht geeft en zieken geneest. De mensen erkennen in zijn woorden en daden een volmacht die God zelf hem gegeven heeft (Marcus 1:21-28). Men erkent dat God zelf in Jezus aanwezig is, in zijn gedrag, zijn daden en zijn onderwijs. Jezus duidt zichzelf niet openlijk als Messias aan, maar zijn leerlingen beginnen te begrijpen wie hij is. Ze begrijpen het echter niet wanneer Jezus hun uitlegt dat hij geen militaire of politieke leider is, maar dat hij moet sterven om zijn opdracht van God te vervullen.