De Makkabeeën en de Romeinen
Onder koning Antiochus IV Epifanes komt Juda in opstand tegen de Seleucidische overheersing. In de boeken 1 en 2 Makkabeeën wordt beschreven hoe koning Antiochus de joodse godsdienst en de tempeldienst wil ‘vergrieksen’. De koning laat de tempel in Jeruzalem plunderen, verbiedt de besnijdenis, de offercultus en de viering van de sabbat, en richt in de tempel een altaar voor Zeus op (168 v.Chr.). Daarop breekt een opstand los, die naar de bijnaam van de Judas Makkaba (‘hamer’) vaak de ‘Makkabeese opstand’ wordt genoemd. De opstand eindigt in 142 v.Chr. met succes: de Syrische bezetters verlaten Juda en een zelfstandige joodse staat wordt gevestigd.
In 63 v.Chr. komt er een eind aan de zelfstandige joodse staat, geleid door de familie van Judas de Makkabeeër. Palestina wordt een provincie van het Romeinse rijk. Koning Herodes, door de Romeinse keizer tot ‘koning van Juda’ aangesteld, wordt als loyale volgeling van de Romeinse keizer Augustus door de joden gevreesd en gehaat. Dit is het decor van de gebeurtenissen zoals beschreven in het Nieuwe Testament.