Het ontstaan van de canon
De totstandkoming van de canon binnen het jodendom en het christendom was een ingewikkeld proces. Om dit uit te leggen, beginnen we met een definitie. We kunnen spreken van een canon en van canonieke geschriften als er aan twee voorwaarden is voldaan: (1) de betreffende boeken worden gezien als heilige Schrift; (2) de reeks boeken die als heilige Schrift worden gezien heeft een exclusief karakter: oftewel, de verzameling van heilige boeken is precies afgebakend. Wat we zien in de geschiedenis is, dat aan de eerste voorwaarde veel eerder werd voldaan dan aan de tweede. In de derde en tweede eeuw v.Chr. – en waarschijnlijk ook al eerder – kende het antieke jodendom ‘heilige boeken’. Men zou daarom kunnen zeggen dat in deze periode het proces van canonisatie begon. Maar pas op een veel later moment kreeg de verzameling van heilige boeken binnen het jodendom en christendom een exclusief, afgesloten karakter. Dit gebeurde pas ongeveer in de vierde eeuw n.Chr. (zie De term canon»). In strikte zin kan men niet spreken van een canon in de periode daarvoor. Tegelijkertijd is het duidelijk dat er binnen het jodendom en het christendom al heilige boeken waren lang voordat er op de christelijke concilies een definitieve lijst van heilige boeken werd vastgesteld.
In de vierde eeuw n.Chr. wordt de term canon voor het eerst gebruikt voor de verzameling van de heilige boeken van de christelijke kerk. Het is de kerkvader Athanasius die de term canon gebruikt. Pas in deze tijd werd nauwkeurig en definitief vastgesteld welke boeken wél en welke níet als heilige Schrift konden gelden. Dit gebeurde op het concilie van Nicea in 350 n.Chr. en op enkele andere concilies.