De korte en de lange canon
Vanaf het eind van de tweede eeuw n.Chr. bestond de Hebreeuwse Bijbel uit vrijwel dezelfde boeken als later de joodse Bijbel en het Hebreeuwse Oude Testament. Binnen de christelijke kerk golden deze boeken als heilige Schrift. Verschillende kerkvaders waren van mening dat de canon van het Oude Testament beperkt moest blijven tot de Hebreeuwse boeken. Dit was het standpunt van onder meer Athanasius. Hij en anderen meenden dat de 39 boeken van de Hebreeuwse Bijbel als grondslag dienden voor de rechte leer. Zij beschouwden de overige (Griekse) boeken als lezenswaardig, maar als onvoldoende gezaghebbend om te fungeren als grondslag voor de christelijke leer. Een andere positie werd vertegenwoordigd door onder meer de kerkvader Augustinus. Hij nam de verzameling boeken van de Septuaginta als maatstaf. Deze laatste positie werd algemeen aanvaard op het concilie van Carthago in 397. De langere canon werd de Bijbel van de Westerse kerk, maar in de Latijnse vertaling. De Oosterse kerk hield eveneens vast aan de langere canon, maar dan naar de Griekse tekst.